Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Liuwe Westra
Dossiers » Gregorius de Grote » introductie » Gregorius de Grote (540-604)

Gregorius de Grote (540-604)



Gregorius de Grote begon zijn pontificaat met een processie. Hij riep de inwoners van Rome op om vanaf zeven kerken, al biddend, op te trekken naar de Santa Maria Maggiore om Gods genade af te smeken voor de door de pest getroffen Eeuwige Stad. Eeuwen later werd verteld, en het is door de gebroeders Van Limburg afgebeeld als hadden zij het van ooggetuigen, dat Gregorius, terwijl achter hem pestlijders de laatste adem uitbliezen, zag hoe boven het graf van Hadrianus de aartsengel Michaël het zwaard weer in de schede stak. De epidemie was voorbij. Er was een daad gesteld. Door God natuurlijk, maar zeker ook door Gregorius, op dat moment nog paus-elect, die zich op een indrukwekkende en doortastende manier als geestelijk leider manifesteerde. Dat tekent hem.

Het is dan 590. In brieven uit die tijd reageert hij teleurgesteld en terneergeslagen op de felicitaties van vrienden en relaties met zijn uitverkiezing tot bisschop van Rome. Zo schreef hij aan de patriarch van Constantinopel, die toch beter zou moeten weten, dat diens felicitatie als een inbreuk op de naastenliefde overkomt want: ‘ik [Gregorius] weet met wat voor gloed jij wenste te vluchten van de last van het bisschoppelijk ambt en toch verhinderde je niet dat een last van datzelfde ambt op mijn schouders gelegd werd. Daar blijkt wel uit dat je mij niet zo lief hebt als je jezelf lief hebt’ (Registrum epistularum i,4). In verschillende andere brieven citeert hij treffende psalmverzen of speelt hij met de metafoor van woeste stormen en vernietigende schipbreuken om zijn gemoedstoestand indringend onder woorden te brengen. Hier spreekt een authentieke Godzoeker – en taalkunstenaar.

De periode voor 590

Gregorius de Grote stamt uit een oud Romeins geslacht met rijke bezittingen in vooral Sicilië. Het ouderlijk huis keek uit op de paleizen van de Palatijn en, meer naar rechts, het amfitheater van Flavius. De glorie van Rome was in de zesde eeuw evenwel verbleekt. De periode van civilitas onder Theodorik (493-526) was voorbij. Honger, verwoestingen en geweld tekenden de tijd. En de pest, met een grote uitbraak in 542 en regelmatige epidemieën zoals in 590. In 552 werd Rome voor een tweede keer binnen korte tijd door generaal Narses heroverd op de Goten onder leiding van Totila.

De jeugdjaren van de in 540 geboren Gregorius staan in het teken van ellende en rampspoed, al lijkt zijn familie de woelingen relatief ongeschonden doorstaan te hebben. Zijn vader Gordianus was in dienst van de kerk, zijn moeder Silvia stond bekend als een vrome vrouw. Gregorius moet een gedegen klassieke opleiding gehad hebben en koos voor een politieke carrière. In 573 wordt hij praetor urbis (de hoogste juridische ambtenaar van de stad) en vervolgens bekleedt hij de positie van praefectus urbi Romae.

Juist dan besluit hij zich terug te trekken uit het politieke rumoer. Kort nadat zijn vader gestorven is, richt hij het ouderlijk huis in als klooster en gaat er met enkele getrouwen als monnik leven. Hij ontsnapt naar eigen zeggen ‘aan de schipbreuk van het leven’ met het klooster als de veilige haven. Het was de climax van een langdurig en intensief beleefd innerlijk proces: ‘Dat ik lang en langdurig de genade van de bekering heb uitgesteld en zelfs nadat ik door een hemels verlangen was geïnspireerd, meende ik dat het beter was me te bekleden met het kleed van de wereld (...). En toen de ziel me nog dwong de huidige wereld ijverig te dienen alsof slechts in schijn, begonnen vele dingen vanuit de zorg voor dezelfde wereld me boven het hoofd te groeien, zodat ik in de wereld niet meer in schijn maar, wat erger is, in de geest werd vastgehouden’ (Moralia in Iob. Ad Leandrum, 1).

De periode in het klooster wordt, getuige de brieven waarin hij terugkijkt op deze periode, de gelukkigste tijd van zijn leven. Hij hecht aan de stilte en stabiliteit van het monastieke leven en groeit in de spiritualiteit van gebed en Schriftlezing. Maar de spirituele verworvenheden blijken kwetsbaar.

Niet lang na het afscheid van zijn politieke carrière wacht hem een kerkelijke. In 578 ontvangt Gregorius de diakenwijding en in 579 wordt hij door paus Pelagius II uitgezonden als apocrisiarius naar het keizerlijk hof in Constantinopel. Hij verblijft met een kleine groep monniken uit zijn klooster enkele jaren in het centrum van de politieke macht. Daar, en precies in dat kleine gezelschap, ontstaat wel het grootste werk van Gregorius de Grote, zijn commentaar op het Bijbelboek Job.

Zijn verblijf in Constantinopel leverde Gregorius een groot en belangrijk netwerk op. Hij onderhield persoonlijke betrekkingen met leden van de keizerlijke familie en smeedde goede relaties met sleutelfiguren aan het hof en de kerk van het oosten.

In 586 is Gregorius weer in Rome. Wederom leeft hij het leven van een monnik die zich kan wijden aan meditatie en vasten, maar niet zonder betrokkenheid op de woelingen van wereld en kerk. Zo is hij de auteur van een onder verantwoordelijkheid van paus Pelagius II geschreven brief tegen de in schisma levende bisschoppen in Istrië. Het zogeheten Schisma van de Drie Hoofdstukken zal hem in latere jaren, zij het in een andere functie, nog bezighouden. Pelagius II is in februari 590 één van de eerste slachtoffers van een pestepidemie. Gregorius wordt zijn opvolger. Hij zal tot zijn dood in 604 als diens vierenzestigste opvolger de zetel van Petrus bekleden.

Klooster of wereld?

Natuurlijk meent Gregorius het als hij schrijft over zijn hang naar een contemplatief leven binnen de muren van het klooster of over zijn ontevredenheid zo diep in de greep te zijn van de noden van en verantwoordelijkheden voor de wereld. En ongetwijfeld zijn de afwerende reacties op de felicitaties op zijn uitverkiezing als bisschop van Rome authentiek. Maar dat is niet het hele verhaal. Gregorius’ persoonlijkheid is gecompliceerder en interessanter.

Zijn keuze voor het monastieke leven is geen vlucht uit de wereld. Hooguit een afstand nemen van een wereldlijk bepaald denken en handelen. Het is eerst en vooral een keuze voor een spiritueel leven. Niet toevallig wordt de heilige Andreas de patroon van het klooster op de Caelius-heuvel. In de traditie geldt Andreas, apostel en oudere broer van Petrus, als een geestelijk leidsman voor zijn jongere broer. Dat maakt van het klooster van Gregorius het thuis en de uitvalsbasis voor een kerkelijk hervormingsprogramma met als centrale thema’s een contemplatieve levensstijl en een actief verkondigend gelovig handelen.

De keuze voor het klooster is dus inderdaad een weloverwogen act en resultaat van een ‘lang en langdurig’ proces, met implicaties voor zijn toekomstig handelen.

In dit verband kan ook gewezen worden op het gegeven dat achter het immense commentaar op het Bijbelboek Job actuele kerkpolitieke vragen schuil gaan, hoe om te gaan met verscheidenheid binnen de kerk (ketters) en heidenen buiten de kerk. Gods betrokkenheid op de heidense Job openbaart een diepere eenheid en opent zo een missionair en charismatisch perspectief op respectievelijk de wereld en de persoonlijke vroomheid.

De gelovige heeft een actieve opdracht voor de wereld, staat er midden ‘in’ zonder er ‘van’ te zijn. Het doorgronden van Gods Woord openbaart niet alleen een handelings­perspectief maar ook een vertrouwen in het menselijk handelen. De heilsgeschiedenis voedt en draagt de geschiedenis.

Geschriften

Gregorius de Grote laat zich in zijn geschriften niet primair als een theologisch systeembouwer kennen. Natuurlijk, hij is vertrouwd met de theologie en de geloofstraditie van zijn tijd. Daar is zijn betrokkenheid op kerk en wereld op gefundeerd en daar worden, samen met zijn diep geworteld geloof, zijn betrokkenheid en bevlogenheid door gevoed. In die zin is zijn werk als ‘programmatisch’ te karakteriseren: gericht op het uitdenken, uitwerken en uitbouwen van een bepaalde levenshouding die recht doet aan de heilsbetekenis van Gods betrokkenheid op mens en wereld.

Dat geldt bijvoorbeeld voor een vroeg werk als het Commentaar op het Hooglied (Expositio in Canticum canticorum), een werk voor mystici over de contemplatieve ontmoeting met God, maar ook voor zijn hoofdwerk, de Moralia in Job. Dit immense commentaar op het (in de woorden van Gregorius zelf) duistere en moeilijke boek Job, richt zich op een in spiritualiteit en contemplatie geïnteresseerd lezerspubliek en thematiseert de verhouding tussen het contemplatieve en actieve leven. De contemplatie geldt als het wezenskenmerk van de mens. Vandaaruit leeft hij. Contemplatie draagt en richt zich op de actio, die dus ten diepste als een missio begrepen dient te worden. Zo concretiseert de menselijke ervaring van God zich in de wereld en toont de heilsgeschiedenis zich in de geschiedenis, getuige de verzameling wonderen en levens van contemporaine vromen en heiligen, met name Benedictus van Nursia, in de Dialogen. De Regula pastoralis formuleert meer to the point wat breedvoerig in de Moralia te berde wordt gebracht. Dit handboek voor leidinggevenden in de kerk definieert praktisch een werkethos voor hen die sleutelposities bekleden.

Vormend zijn ook zijn preken. In de 40 preken over het Evangelie richt hij zich primair tot de clerus van Rome. Met voorbeelden van Gods wonderdaden en vrome verhalen over naastenliefde en armenzorg houdt hij de ambtsdragers een concrete spiegel en een model voor navolging voor. Dat geldt zeker voor de Preken over Ezechiël. De bisschop is de Waker, een verkondiger van hoop en brenger van troost, zeker in een tijd waarin de wereld vol leed en onrust is. De nood is acuut. Op een gegeven moment onderbreekt Gregorius de prediking als vluchtelingen met afgeslagen handen in Rome veiligheid zoeken voor de optrekkende troepen van Agilulf in de herfst van het crisisjaar 593.

De ruim 800 van hem bewaard gebleven brieven geven een goed beeld van het spectrum waarbinnen Gregorius de Grote als bisschop van Rome werkte. Alles van het leven passeert de revue: van warme persoonlijke brieven tot boze reacties op ongerechtigheden, van zorg voor de armen tot richtlijnen voor het beheer van landgoederen, van zakelijke transacties tot de zorg voor orthodoxie en vroomheid.

Een van de vele interessante dossiers die op basis van zijn correspondentie te vormen zijn, betreft de zogeheten Engelse missie. Naar verluidt zou hij het liefst zelf de missie ter hand genomen hebben. In 598 kan hij melden dat de door hem uitgezonden missionarissen met veel succes het christendom in Kent verkondigd hebben. Het dossier bevat, naast aanbevelingsbrieven voor de monniken die onderweg zijn (gericht aan bisschoppen en vorsten in Gallië), instructies voor de leider van de missie, Augustinus van Canterbury, en een reeks antwoorden op door hem gestelde vragen van ecclesiologische en pastorale aard. Het is geen volledig dossier maar zeer relevant als bron voor een voor de West-Europese geschiedenis belangrijk initiatief van Gregorius de Grote.

Spiritualiteit

Gregorius de Grote leefde in het besef dat voor de wereld het Einde naderde. In zijn geschriften en brieven interpreteert hij aardbevingen, oorlogen of grote menselijke noden als betekenisvolle eschatologische tekenen. Hij is zeker niet te beroerd om in voorkomende gevallen de tekenen te gebruiken om zijn argumenten kracht bij te zetten. Tot diezelfde tekenen behoren evenwel ook de groei van de kerk en de verspreiding van het geloof. Gods betrokkenheid op de wereld is blijkbaar veelzijdig en, en daar draait het bij Gregorius de Grote vooral om, doet een appel op de mensen – van goede wil, zou men daar bijna aan toevoegen.

Daarbij staart hij niet zozeer naar de hemel, maar richt hij zich op Gods Woord in de Schrift. De lectio divina opent voor de goede verstaander de ogen van de lezer (of toehoorder) van wat op het spel en wat te doen staat. Belangrijk is dat het hier om een zeer intens en tevens gemeenschappelijk lezen en verklaren gaat. De lectio divina biedt een perspectief op de wereld en een (mentale) ruimte tot de wereld. Hier huist het ‘in’ maar niet ‘van’ de wereld dat zo typisch is voor de spiritualiteit van Gregorius de Grote die zich verdicht in zijn bekeringservaring. In de ogen van Gregorius is de bekering niets meer of minder dan de grondstructuur van het christelijk leven.

De betekenis van zijn bekering heeft eerder betrekking op een levenshouding dan op een levensstaat. Gregorius zet weliswaar een punt achter zijn publieke carrière en wordt monnik, maar zeker niet opgesloten achter hoge muren en met de rug naar de wereld. Niet toevallig leeft en werkt hij altijd in of in de nabijheid van de machtscentra van zijn tijd.

De ‘bekeerde’ levenshouding kenmerkt zich door een innerlijk afstand nemen; het creëren van een (spirituele) ruimte om ‘in’ de wereld te leven. Dat is een constante factor. De contemplatie staat ten dienste van de actie waartoe iedere mens geroepen is. De keer naar binnen van de conversio geeft kracht en richting aan een beweging naar buiten, naar een handelen in de wereld, ditmaal gelouterd door de openheid naar Gods Woord tijdens de contemplatio. Zo wordt geborgd dat de menselijke actio wezenlijk een uiting van diens missio is.

In de spiritualiteit van Gregorius de Grote wordt de mens als individuele gelovige aangesproken, als persoonlijkheid en naar vermogen. Het naderende Einde werpt immers ook licht op de zich ontvouwende heilsgeschiedenis, waardoor zichtbaar wordt dat ieder menselijk handelen door God gedragen en ultimo door God voltooid zal worden. Dat geeft hoop en zelfvertrouwen om te doen wat gedaan moet worden. De bekering te doen als het ware. Het is aan een ieder om, vanuit deze geloofszekerheid en naar eigen vermogen en inzicht (discretio), vanuit de ontwaarde Waarheid te kiezen voor het realiseerbare Goede.


(door Arnold Smeets)




Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Arnold Smeets.