Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Alexis Szejnoga
Dossiers » Hooglied, het boek » introductie » Hooglied

Hooglied

Het Bijbelboek Hooglied is waarschijnlijk het meest omstreden boek uit de christelijke canon. Het bestaat uit een verzameling liefdes- of minneliederen die door een redacteur tot een eenheid zijn gesmeed. De liederen worden afwisselend gezongen door een man en een vrouw, die elkaar toezingen. Hier en daar wordt er op het gesprek tussen man en vrouw gecommentarieerd door een koor. De liederen verbeelden een perfecte liefdesrelatie tussen bruid en bruidegom. Er bestaat een gangbare interpretatie die stelt dat het Hooglied op mystieke, symbolische wijze de liefhebbende relatie tussen God en de mens uitbeeldt. Niet de hudige relatie tussen God en de mensen (want de mens gedraagt zich als een 'ontrouwe bruid'), maar een ideale en eschatologische relatie. Het boek hooglied heeft als inspiratie gedient voor menige kunstuiting, en blijft tot op de dag van vandaag fascineren.

Naamgeving

In het Hebreeuws heet het Bijbelboek Hooglied Shir ha-Shirim, wat ‘lied der liederen’ betekent. Deze constructie duidt in het Hebreeuws op een superlatief. Het Hooglied moet dus als het beste of heiligste der liederen beschouwd worden. Dit is terug te zien in de Engelstalige benaming van het Bijbelboek: Song of Songs. De naam Hooglied is afkomstig van Maarten Luther, die dit Bijbelboek de naam das Hohelied gaf. In het Latijn van de Vulgaatvertaling van de Bijbel, wordt het Hooglied aangeduid met de titel Canticum Canticorum, dat ook ‘lied der liederen’ betekent. Naast Hooglied en Lied der liederen wordt het Bijbelboek ook wel eens het Lied van Salomo genoemd.

Auteurschap en datering 

De tekst van het Bijbelboek vangt aan met de zin: ‘Het Hooglied van Salomo’. Sommigen interpreteren deze openingszin als een aanduiding van auteurschap; zij zijn dus van mening dat Salomo als de schrijver van het Hooglied gezien moet worden. Ook de Bijbelboeken Spreuken en Prediker worden wel aan zijn hand toegeschreven. Anderen interpreteren de openingszin als een dedicatie of opdracht; het boek zou voor Salomo geschreven zijn.
 
Vanwege de hierboven genoemde aanwijzingen die erop duiden dat het Hooglied in de zesde of vijfde eeuw voor Christus geschreven is, kan het boek onmogelijk van de hand van Salomo afkomstig zijn; Salomo leefde in de tiende eeuw voor Christus. Op basis van het voorkomen van Perzische leenwoorden in de tekst van het Hooglied, wordt geschat dat het in de tijd na de verbanning geschreven is. Dit betekent dat het Hooglied waarschijnlijk in de zesde of vijfde eeuw voor Christus werd geschreven.

Plaats binnen het Oude Testament

Het Bijbelboek Hooglied behoort tot de zogenaamde ketuvim of geschriften. Binnen die categorie is het ingedeeld bij de 'vijf rollen' of hamesh megillot, waartoe ook de boeken Ruth, Klaagliederen, Prediker en Esther behoren. In de Tenach of Hebreeuwse Bijbel volgt het boek Hooglied op de sifrei emet, of ‘boeken van waarheid’, waarvan het Bijbelboek Job de laatste is. Het wordt gevolgd door het boek Ruth. In de christelijke canon is de volgorde geheel anders, en volgt het Hooglied op het Bijbelboek Prediker en gaat het vooraf aan het boek Jesaja, dat overigens niet tot de hamesh megillot, maar tot de nevi'im, of 'profeten' behoort.

Structuur en verhaalelementen

Er is binnen het Bijbelboek geen duidelijke structuur zichtbaar te maken. Dit volgens veel exegeten te wijten aan het feit dat het hier niet om één, maar om een verzameling liederen gaat. Het genre betreft liefdes- of minneliederen. De eindredacteur die de liederen heeft samengevoegd, heeft getracht van deze verschillende liederen een eenheid te smeden. Evenwel heeft Jan Fokkelman, in De Bijbel Literair: Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties (Zoetermeer/Kapellen 2005) een zevenvoudige structuur voorgesteld:
 
1:   Hl 1:2-2:7
'Overstelp mij met de kussen van je mond...'
2:   Hl 2:8-3:5
'Hoor, daar is mijn lief!...'
3:   Hl 3:6-5:1
'Wat komt daar uit de woestijn...'
4:   Hl 5:2-6:3
'Ik sliep, maar mijn hart was wakker...'
5:   Hl 6:4-7:6
'Je bent mooi, mijn vriendin, mooi als Tirsa...'
6:   Hl 7:7-8:4
'Hoe mooi ben je, mijn liefste, hoe bevalling en bekoorlijk!...'
7:   Hl 8:5-14
'Wie komt daar uit de woestijn, leunend op de arm van haar lief?...'
 
De liederen kennen drie ‘rollen’: een mannelijke stem (Hij), een vrouwelijke stem (Zij) en een koor. Deze drie rollen wisselen elkaar beurtelings af, zodat een er een dialoog tussen de mannelijke en vrouwelijke stem ontstaat; hier en daar wordt dit gesprek tussen de geliefden door het koor van commentaar voorzien.
 
Het dient te worden opgemerkt, dat hoewel het in eerste instantie lijkt te gaan om een verzameling liefdesliederen, er een interpretatie van het Hooglied mogelijk is waarbij op mystieke, symbolische wijze de relatie tussen God en de mensen aan het licht gebracht wordt. Deze mystieke interpretatie is reeds zichtbaar in de Apocalyps van Johannes (Apk 3:20 en Apk 12:1). Tussen (profane) liefdesliederen enerzijds, en een mystieke liefdesrelatie tussen God en de mens anderzijds, bestond in de bijbelse oudheid wellicht niet zo’n schril contrast zoals wij het nu vaak ervaren. Er zijn redenen om aan te nemen dat in de tijd van de totstandkoming van het boek Hooglied, het huwelijk tussen man en vrouw als heilig werd ervaren, en omgeven was met religieuze rituelen.
 
Over deze mystieke interpretatie moet wel gezegd worden dat zij niet de huidige, maar een ideale, eschatologische relatie tussen God en de mensen voor ogen heeft. Profeten als Jesaja, Jeremia en Ezechiël probeerden de mensen te waarschuwen dat zij God juist niet die eer verleende die Hem toekwam, dat zij hun vertrouwen liever op aardse zaken vestigde dan op God zelf. Zij beschimpten het volk Israël door hen te vergelijken met een ontrouwe bruid. Het is in reactie op die karakterisering van de imperfecte, huidige relatie tussen God en mens, dat Paulus in zijn Brief aan de Efeziërs hoopvol spreekt over een perfecte, toekomstige relatie tussen God en mens, waarbij Gods volk zich zal gedragen als een echtgenoot ‘zonder vlek of rimpel’ (Ef 5:27).
 
 


Bron: Tilburg School of Catholic Theology