Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Karin Leeuwenhoek
Dossiers » Raad van Kerken » introductie » Raad van Kerken

Raad van Kerken

Door drs. Henk van Hout 
 
De Raad van Kerken is een samenwerkingsverband van kerken in Nederland om de eenheid tussen de kerken en hun gezamenlijke dienst aan de samenleving te bevorderen. De Raad is opgericht op 21 juni 1968, als verbreding van de sinds 1935 bestaande en in 1946 herziene Oecumenische Raad. Hoewel een typische exponent van het oecumenisch elan in de jaren zestig van de 20e eeuw, vervult en vertolkt dit oecumenisch platform tot op heden de 'gemeenschappelijke roeping' van de kerken tot herstel van de onderlinge betrekkingen en tot gezamenlijk getuigenis in de wereld. 

Ontstaan

De oprichting van de Raad van Kerken in Nederland laat zich verstaan tegen de achtergrond van ingrijpende veranderingen in kerk en wereld sinds het midden van de vorige eeuw. De verzuiling liep ten einde, waardoor christenen van verschillende kerkelijke denominaties ernaar verlangden elkaar te ontmoeten over kerkgrenzen heen. Dat gold niet enkel voor gemengd gehuwden maar voor elke christen die nieuwsgierig was naar 'andersdenkenden'.  Dit riep onder meer de vraag op of de verschillen tussen kerken nog langer een kerkscheiding rechtvaardigden. Het beginnend proces van secularisering zette bovendien de geloofwaardigheid van het christelijk geloof onder druk. In een tijd van afnemend Godsgeloof en krimpende kerkgang ontstond bij menig christen het verlangen het geloof in God (op)nieuw en liefst gezamenlijk te verwoorden. De groeiende tegenstellingen in de wereld - tussen Oost en West in de Koude Oorlog en tussen Noord en Zuid ten gevolge van de scheve verhoudingen in de economische wereldorde - deden tenslotte een dringend appèl op gemeenschappelijke inzet van christenen voor een betere wereld. Het oecumenisch elan, begonnen als particulier initiatief, schiep een nieuw klimaat waaraan ook ambtsdragers en kerkelijke instituten hun steentje bijdroegen. 
 
Binnen de Rooms-Katholieke Kerk zette het Tweede Vaticaans Concilie (1962/1965) de ramen naar andersdenkenden en nietgelovigen open. Het was de tijd van aggiornamento: vernieuwing in eigen kring. De roep om herstel van de betrekkingen kreeg vorm in de oprichting (1960) van het 'Secretariaat voor de bevordering van de eenheid der christenen' (met de Nederlandse monseigneur J. Willebrands als secretaris en later als voorzitter) en in de publicatie (1964) van het conciliedecreet Unitatis Redintegratio, over de katholieke deelname aan de oecumenische beweging. In ons land leidde dit alles tot een Pastoraal Concilie (1966/1970) en een intensief oecumenisch gespreksgroepenwerk. Oecumene was niet langer bijzaak maar een (pastorale) prioriteit.  "Pas na Vaticanum II konden 'roomsen' opnieuw 'katholiek' worden." (Anton Houtepen). Aan protestantse zijde was men al wat langer vertrouwd met oecumenische contacten en gesprekken via de Wereldraad van Kerken, opgericht in 1948 te Amsterdam. Tegen deze achtergrond vormde de totstandkoming van een gemeenschappelijk 'Huis van de Kerken', ook in Nederland, een logische ontwikkeling. 

Identiteit

De Raad van Kerken beschouwt zichzelf (theologisch) als een verbond (fellowship) van kerken, die ernaar streven samen hun gemeenschappelijke roeping te vervullen ter ere van de ene God. De gemeenschappelijke basis berust op de belijdenis van 'de Heer Jezus Christus als God en Heiland overeenkomstig de Schriften', zoals verwoord in de preambule van de statuten van de Raad. De basisformule is een soort ‘mini-credo’ (Duchrow) of 'Minimalbekenntnis' (Hasselmann) en vormt de vooronderstelling van het samen werken en samen spreken in de Raad: het toebehoren aan de Heer Jezus Christus en de binding aan Zijn opdracht. De vervulling van de gemeenschappelijke roeping, op basis van het apostolisch geloof in Christus, is niet bedoeld tot meerdere eer en glorie van de kerken zelf, maar tot lof en eer van de Drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. De trinitaire formulering in de preambule is niet primair dogmatisch (leerstellig) maar doxologisch (lofprijzend) van aard: ze volgt de innerlijke dynamiek van het geloven. Of anders gezegd: de inleidende bepaling van de statuten heeft wel juridische betekenis maar ze is geschreven in de taalstructuur van het loflied! Gemeenschappelijke (en gezagvolle) inspiratiebron daarbij is de heilige Schrift als het altijd nieuwe woord van God.

Rechtsvorm

De eigen aard van het fenomeen Raad van Kerken blijkt ook uit het gebruik van het begrip 'verbond' als vertaling van de door de Wereldraad gehanteerde term 'fellowship' (D: Gemeinschaft; F: association fraternelle). Een verbond is de juridische gestalte van een gemeenschap van kerken, aldus de 'geestelijke vader' van de huidige rechtsvorm van de Raad van Kerken, prof.mr. G.J. Scholten. In een toelichtende nota uit 1983 benadrukt hij dat het samengaan, het proces van eenwording, voor de kerken uitdrukkelijk een zaak des geloofs is. Als (inter)kerkelijk verband met een religieus karakter is de Raad van Kerken in Nederland geen (privaatrechtelijke) vereniging van kerkgenootschappen maar een lichaam waarin een aantal kerkgenootschappen zich hebben verenigd: 'een rechtspersoonlijkheid bezittend verbond'. Om die reden deden de aangesloten kerken voor de positionering van de Raad van Kerken een beroep op artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek. Onder verwijzing naar de Grondwet waren zij van mening dat het tot het goed recht van de kerken behoort hun onderlinge verhoudingen te regelen en juridisch vorm te geven. Blijkens de stukken betreffende de parlementaire behandeling van dit wetsartikel had de toenmalige minister, mr. Korthals Altes, moeite met de juridische argumentatie vanuit de kerken. Toch acht hij het uiteindelijk niet op zijn weg liggen hieromtrent te oordelen en laat hij de kwestie open. De Raad zelf en zijn lidkerken zagen bij latere statutenwijzigingen geen aanleiding op de eigen zienswijze terug te komen. Zo is de Raad, op grond van zijn eigen statuut en krachtens art. 2:2 BW, erkend als eigensoortige rechtspersoon in het kerkelijk en maatschappelijk verkeer. 

Lidmaatschap

De Raad van Kerken bestaat uit lidkerken en associés, voorheen gastlid of waarnemer geheten. Tot de lidkerken behoren: Rooms-Katholieke Kerk, Protestantse Kerk in Nederland, Oud-Katholieke Kerk, Remonstrantse Broederschap, Algemene Doopsgezinde Sociëteit, Evangelische Broedergemeenten, Religieus Genootschap der Vrienden (Quakers), Leger des Heils (1968, lid 1995), Syrisch-Orthodoxe Kerk (1987), Anglicaanse Kerk (1995, lid 1998), Molukse Evangelische Kerk (2002), Koptisch-Orthodoxe Kerk (2005), Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (1985, lid 2010), en de Orthodoxe Kerk in Nederland (2013). Als associé of verwante organisatie participeren de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB (1968; sinds 2014 Vrijzinnigen Nederland geheten), Basisbeweging Nederland (1981), en de Zevende-dags Adventisten (1994). Daarmee zijn in de Raad de grote kerktradities van Oost en West vertegenwoordigd, voor zover in ons land aanwezig.

Lidmaatschap van de Raad van Kerken is mogelijk onder tenminste twee voorwaarden.De eerste conditie is dat er sprake moet zijn van kerk in materiële en formele zin: een groep van gelovigen met een gemeenschappelijke religieuze overtuiging en een gemeenschappelijke kerkelijke structuur, die zelfstandigheid bezit en de intentie heeft naar buiten te willen optreden (of een verband/convent van zelfstandige kerken). ​Daarmee komen bijvoorbeeld basisgemeenten, opwekkingsbewegingen en andere 'genootschappen op geestelijke grondslag' (zie art. 2:18 BW) die geen kerkgenootschap willen zijn, niet voor lidmaatschap in aanmerking, eventueel wel voor associatie. Dit ligt in de lijn van wat in de Constitutie van de Wereldraad van Kerken onder 'churches' verstaan wordt. Maar ook door de RKK wordt dit formele kerkbegrip gehanteerd, getuige de passage in het Oecumenisch Directorium waar gesproken wordt over lidmaatschap van raden van kerken: "In deze samenhang moet het woord 'kerk' in het algemeen meer in sociologische dan in strikt theologische betekenis worden verstaan." (nr. 166, voetnoot 158).  Deze opvatting is neergeslagen in het zgn. Toronto-statement van de Wereldraad (1950), waarin sprake is van een dubbel principe: lidmaatschap betekent noch het opgeven van de eigen opvatting van kerk en van haar eenheid, noch het erkennen van andere lidkerken als kerken in de volle en ware zin van het woord. Of positief geformuleerd: de keuze voor het algemeen kerkbegrip laat ruimte voor de eigen ecclesiologie (kerkleer) van elke kerk die bereid is aan het oecumenisch gesprek deel te nemen. Tegelijkertijd betekent dit geen keuze voor vrijblijvendheid maar juist voor een zekere verplichting, omdat er wordt uitgegaan van een gestructureerd verband met een min of meer gemeenschappelijke beleving. Een afgevaardigde in de Raad wordt namelijk geacht te kunnen spreken of te besluiten namens de eigen kerk en zich ook sterk te maken voor doorwerking van uitspraken of besluiten in de eigen achterban. Kortom, kerken die lid zijn of worden van de Raad gaan de morele verplichting aan zich in te spannen de Kerk in haar eenheid zichtbaar te maken.
 
Is het kerkbegrip dan verder inhoudelijk leeg? Dat niet, want het betreft immers kerken die de Heer Jezus Christus als God en Heiland erkennen, het tweede en beslissende toelatingscriterium. Volgens de 'Verklaring over het doel en de taak van de basis(formule)', aangenomen door de tweede Algemene Vergadering van de Wereldraad van Kerken (Evanston, 1954), is de basisformule minder dan een belijdenis, maar meer dan een loutere formule van overeenstemming. Ze heeft een drievoudige functie: ze geeft uitdrukking aan het wezen van de oecumenische gemeenschap in de raad, ze geeft oriëntatie aan het werk dat de raad onderneemt, en ze kenmerkt de reikwijdte van de gemeenschap die de kerken in de raad willen realiseren. Daarom hoeft de preambule ook voor de zogeheten 'non-credal churches'  op zich geen belemmering te vormen voor lidmaatschap van een raad van kerken. Zo valt in Faith & Order-paper 153 van de Wereldraad 'Confessing the One Faith' (1991) te lezen: "Zelfs in kerken waar de oude geloofsbelijdenissen niet regelmatig worden gebruikt, wordt het geloof waarvan zij getuigenis afleggen, beleden en geleefd." Van een dergelijk type kerk, dat geen officiële geloofsbrieven kan overleggen, wordt daarom gevraagd schriftelijk te verklaren het geloof te delen zoals in de preambule uitgedrukt. Want zonder deze grondslag is een vruchtbaar geloofsgesprek in een raad van kerken niet goed mogelijk. Het tweede criterium expliciteert dus nader dat een raad van kerken uit 'christelijke' kerken bestaat. Kerkelijke of geestelijke gemeenschappen op een andere (bv. humanistische) grondslag kunnen bijgevolg niet als lid worden toegelaten. 

Organisatie

Bij de oprichting van de Raad van Kerken in Nederland is er bewust voor gekozen de kerken zelf tot dragers van de raad te maken. Dat komt onder meer tot uiting in de samenstelling van de plenaire vergadering, die bestaat uit afgevaardigden uit de leidinggevende lichamen van de lidkerken. Besluitvorming geschiedt bij meerderheid van stemmen of  liefst bij eenstemmigheid, zoals de recente statuten aangeven. Voorbereiding en uitvoering van besluiten en acties liggen bij het moderamen (dagelijks bestuur), dat naast voorzitter, vicevoorzitter, penningmeester en secretaris bestaat uit maximaal vier toegevoegde bestuursleden afkomstig uit de deelnemende kerken. Sinds 1973 wordt de voorzitter niet meer gekozen uit het midden van de raad maar van buiten. Achtereenvolgens traden als (onafhankelijke) voorzitter aan: Henk Berkhof (1974), Dick Mulder (1983), Ruud Huymans (1992), Ton van Eijk (1998) en Henk van Hout (2007). Van dit vijftal zijn de eerste  twee van protestantse, de laatste drie van katholieke huize. Niet toevallig zijn zij alle vijf verbonden (geweest) aan een van de theologische faculteiten. De algemeen secretaris is en was als enige vrijgestelde de spin in het oecumenische web, daarbij ondersteund door een klein bureau. De (betaalde) functionarissen gaven de Raad een gezicht naar buiten, middels de verzorging van activiteiten, publicaties en lezingen door het land, en ontwikkelden zich tot vurige pleitbezorgers van de oecumene: Herman Fiolet (1970), Wim van der Zee (1985), Ineke Bakker (1995) en Klaas van der Kamp (2008). Een belangrijk aandeel in het beleidsadvieswerk leveren de beraadgroepen (voorheen secties genoemd) met hun werk- en projectgroepen op het vlak van Geloven en Gemeenschap, Samenlevingsvragen en Interreligieuze Ontmoeting. Het secretariaat van de secties/beraadgroepen is veelal in handen van functionarissen uit de lidkerken met het oog op afstemming en synergie. Met een variatie op een uitspraak van de Duitse theoloog Ernst Lange kunnen we zeggen: De oecumenische beweging in ons land vertegenwoordigt op papier een paar miljoen mensen, maar het oecumenisch werk gebeurt hooguit door een paar honderd. Dat is de prijs van de weerbarstige en soms tegenstrijdige oecumenische structuren.  

Netwerk

Anders dan wel eens gedacht wordt, was en is de Raad van Kerken geen afdeling van de Wereldraad, zoals de lokale raden dat ook niet zijn van de nationale raad. Jarenlang was hij daar zelfs geen lid van, omdat enkel kerken dat konden zijn. Zodra de statuten van de Wereldraad dat toelieten, werd de Raad geassocieerd lid. Wel laat de Raad vanouds zijn agenda mede bepalen door de aanbevelingen van de diverse internationale assemblees, zoals hij ook anderszins rapporten en projecten van de Wereldraad oppakt. Op Europees niveau is er deelname aan het werk van de Conferentie van Europese Kerken (CEC), opgericht in 1959. De impact daarvan is onder meer terug te vinden in het recente beleidsplan van de Raad (2012-2016) dat sterk geënt is op de uitvoering van de verplichtingen zoals aangegaan in de Charta Oecumenica, het handvest voor groeiende samenwerking van de kerken in Europa (2001). 
 
In eigen land groeit de samenwerking van de Raad van Kerken met evangelicale, pentecostale en migrantenkerken, ondermeer via het Beraad van Kerken, het Nederlands Christelijk Forum en een strategisch partnerschap met de Evangelische Alliantie. Daarmee krijgt de oecumene van het hart, die uitgaat van een doorleefde relatie met God, een nieuwe impuls, zoals verwoord in de visienota van de Raad uit 2012. De ontmoeting met andere godsdiensten en levensbeschouwingen krijgt structureel vorm via participatie in het zogeheten Caïro-overleg (joden, christenen, moslims) en de beweging In vrijheid verbonden (platform voor de ontmoeting van religies en levensbeschouwingen). Meer maatschappelijke thema's komen aan de orde in de zogeheten KHV-conferentie (kerken, humanisten, vakbonden), de Kloosterkerkgesprekken (kerken en politici) en in directe contacten met ministeries. Speerpunten door de jaren heen vormen het asielbeleid, armoedebeleid en milieubeleid, toetsstenen vanuit de kerken voor de vraag naar de kwaliteit van de (wereld)samenleving. Deze raadsprojecten vormen een vertaling van het theologisch principe, dat Gods kracht in zwakheid volbracht wordt.

Lokale raden

Ook op plaatselijk niveau wordt de band tussen de kerken gezocht en tot uitdrukking gebracht, onder meer via het netwerk van lokale raden van kerken en de jaarlijkse Week van het Gebed voor de Eenheid. Tot aan de reorganisatie in 2001 had de nationale Raad voor de ondersteuning van de plaatselijke oecumene zelfs een eigen sectie Oecumenische Actie. Toen kreeg het oecumenisch elan vaste vorm in de organisatie van twee landelijke kerkenconferenties (resp. in 1974 en 1978), nu zijn daar de lokale kerkennachten voor in de plaats gekomen. Mede dankzij de inzet van de Katholieke Vereniging voor Oecumene (KVO) vindt er enige toerusting plaats in de vorm van handreikingen en brochures. Ook de jaarlijkse Oecumenelezing, het Oecumenisch Bulletin en de reeks Oecumenische Bezinning van de Raad van Kerken beogen informatie en inspiratie te bieden aan de circa 300 lokale raden. 
 
Een eigentijds fenomeen zijn de 'verbondsluitingen', waarbij geloofsgemeenschappen de plaatselijke samenwerking vastleggen in oecumenische convenanten en plannen ontwikkelen omtrent groei van de samenwerking. De Raad van Kerken publiceerde daarover een model en een checklist onder de titel 'Gebundelde krachten in de oecumene' (Oecumenische Bezinning 41/2012). Het aangaan van oecumenische partnerschappen is een vorm van 'churches together', overgewaaid uit Schotland en Engeland, waar deze formule breed is aangeslagen. Ook in ons land kan het mogelijk een instrument zijn om de oecumene ter plaatse jong en vitaal te houden in een tijd van herschikking van parochies en gemeenten middels reorganisatie en schaalvergroting van het pastoraat. Daarnaast lijkt deze nieuwe organisatievorm  een zeker alternatief  te bieden voor het experiment van oecumenische gemeenten, dat uit het kerkbeeld in steden en nieuwbouwwijken dreigt te verdwijnen. Wat blijft is het zoeken naar  'gemeenschap van kerken' in de zin van koinonia: deelgenoot zijn. "Samen delen in de vreugde van Gods verbond en in het erfgoed van het geloof in Jezus Christus" (Anton Houtepen).  

Eenheid

Binnen de oecumenische beweging is het niet gemakkelijk een eensluidende definitie van zichtbare eenheid te geven, laat staan concrete stappen te zetten. De vruchtbare oogst van oecumenische dialogen is nog niet in klinkende munt omgezet. Dat geldt met name op het punt van ambt en eucharistische gemeenschap. En inhoudelijk is de term verbreed door de sterke verbinding met de eenheid van de schepping en van heel het menselijk geslacht, zoals onder meer het geval is in het recente 'Unity Statement' van de Wereldraad (Busan, 2013). Ook binnen de Nederlandse Raad van Kerken bestaan hieromtrent verschillende (theologische) opvattingen. Bij alle convergentie en divergentie zijn, in het spoor van Paul Verghese, een orthodox theoloog uit India, tenminste drie algemene constanten aan te wijzen: identiteit - openheid of relatie - en structuren op alle niveaus. Het zoeken naar eenheid in kerk en wereld geschiedt in het spanningsveld van deze drie elementen: gemeenschappelijke betrokkenheid op Christus, onderlinge betrekkingen van kerken en conciliaire samenspraak en samenkomsten van christenen. Voor sommigen gaat dit proces te langzaam, voor anderen te snel. Maar misschien kunnen we ons in dit opzicht spiegelen aan de indringende observatie van Ernst Lange: "Mensen met elkaar strijdend om de waarheid zijn zoveel interessanter en brengen zoveel meer over de waarheid aan het licht dan de protocollen van de wapenstilstanden en de vredes, die zij sluiten." Daarbij hebben de kerken er weet van dat 'eenheid' altijd eschatologisch open blijft: ze is een voorlopige maar groeiende eenheid, die vernieuwing en correctie nodig heeft. Tegelijk leert de geschiedenis van de Raad van Kerken in Nederland dat de 'existing fellowship' bij al het vallen en opstaan een stevig fundament vormt onder het samen optrekken van de kerken in gesprek, gebed en gemeenschappelijke actie.


Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Henk van Hout.