Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Alexis Szejnoga
Dossiers » Stoa » introductie » Stoa

Stoa



StoaDe_stoïcijnse filosofie of Stoa (vernoemd naar een zuilengalerij in Athene) was een Griekse filosofische stroming die in de derde eeuw voor Christus door Zeno van Citium werd opgericht. Inhoudelijk leerde zij dat het goed leven alleen te bereiken was wanneer de wijsgeer zijn emoties niet zijn leven liet beheersen, maar dat de filosoof in plaats daarvan heer en meester over zijn emoties moest zijn. De stoïcijnse filosofie kenmerkte zich ook door een uiterst materiële kijk op de wereld. Zij leerden een soort extreem realisme waarin zelfs abstracte concepten als rechtvaardigheid en vrijheid als stoffelijke substanties werden gezien. Vooral de latere stoïcijnse filosofen zijn bij het brede publiek bekend geworden, zoals Seneca en Marcus Aurelius. De stoïcijnse levenswijze is evenwel niet altijd te rijmen met de christelijke leer. Vooral op het gebied van de nederigheid hebben christelijke commentatoren wel eens opgemerkt dat de stoïcijnen nog veel te leren hadden. Toch is de Stoa van grote invloed geweest op mensen als Erasmus en Calvijn die bijvoorbeeld werken van Seneca in de eigen landstaal vertaald hebben.

De stoïcijnse filosofie

De stoïcijnse filosofen waren van mening dat alle kennis afkomstig is uit de zintuiglijke ervaring (dit in tegenstelling tot de platoonse idee dat weten een herinneren van de pure vormen inhoudt). De geest is een als een schone lei (een tabula rasa), waarop ervaringen worden opgetekend. En omdat alle kennis als subjectief wordt gekenmerkt, is de waarheid ook volledig subjectief. In de stoïcijnse leerschool bestaat er dus geen eeuwige waarheid. De stoïcijnse filosofen zagen wijsheid als de grootste deugd; uit deze wijsheid komen moed, zelfbeheersing, en rechtvaardigheid voort. Er bestonden geen nuances in de stoïcijnse filosofie: mensen zijn ofwel geheel goed of volkomen slecht, helemaal wijs of volkomen dwaas.

De stoïcijnse filosofen geloofden in een godheid die de menselijke doelen vorm geeft. Deze godheid was net als de stoïcijnen zelf niet van de genuanceerde variëteit. Hij werd Logos genoemd, of Geest, en het pad naar het geluk bestond eruit om in harmonie met de Goddelijke Geest te leven. De stoïcijnen introduceerde ook het woord pneuma, wat ‘adem’ betekent, als aanduiding van de ziel van het universum. De menselijke, individuele zielen danken hun bestaan aan deze Opperziel. Dit is een vroege vorm van monotheïsme, beïnvloed door een Presocratisch monisme.

De stoïcijnse filosofie zag geen heil in wereldse genoegens. Integendeel, ze zagen deze als een hindernis op het pad naar wijsheid. Intense emoties stonden ook in de weg, en deze moesten dus in toom gehouden worden. Een ascetische levensstijl was het ideaal. Het bevorderde een juiste levenshouding en vermeed alle afleidende aanstellerij.

De meest bekende stoïcijnse filosoof was een Romeinse keizer. Marcus Aurelius was een vooraanstaande stoïcijn wiens dagboek, geschreven tijdens de verovering van Rome door barbaarse hordes, een typische beeld van stoïcijns denken en handelen geeft.

‘Alles gebeurt om een reden, en je kunt meestal het ergste verwachten’, was de stoïcijnse filosofie. Als een stoïcijn een geliefde in gevaar zag, dan zou zijn natuurlijke reactie zijn om te proberen om haar leven te redden. Maar als die poging niet succesvol was en de geliefde omkwam dan werd dit vrijwel meteen geaccepteerd. Zo is immers het leven! Alles valt onder het Goddelijke gezag, en als een persoon sterft, dan moet die dood noodzakelijk geweest zijn. Het zou onlogisch zijn om hier rouwig over te doen. Als je je best doet in deze wereld en je faalt, dan is dat gewoon zo. Je best doen is een doel op zich.

De stoïcijnen namen een ​​principe van Aristoteles en dreven het tot het uiterste. Aristoteles zei dat passies hun plaats in de menselijke psyche hadden, maar dat de Rede ze moest regeren. De stoïcijnen, op hun beurt, zagen de passionele kant van de menselijke natuur als een kwaad dat moest worden vernietigd. In latere eeuwen, zouden moderne psychologen als Freud en Jung dit zien als een onmogelijkheid, en als een ongezond doel om na te streven. Je kunt jezelf nooit ontdoen van deze impulsen en als je het probeert zullen ze alleen onderdrukt worden, klaar om op de meest ongepaste momenten aan de oppervlakte te verschijnen.

Voor de stoïcijnse filosoof gold dat als hij was voorbestemd voor een leven van lijden, hij hier mee om zou leren gaan, en hij nog steeds zou streven om een leven van goedheid te realiseren. In feite had een ongelukkige stoïcijnse filosoof zelfs een voordeel ten opzichte van rijke tegenhanger, omdat hij immers niet werd gehinderd door materiële zaken. Een van de beroemdste stoïcijnen, Epictetus, was in feite een slaaf. Hij geloofde in deugd en het accepteren van zijn lot in het leven. Hij leerde roeien met de riemen die het leven hem had toebedeeld, net als Marcus Aurelius dat deed als keizer. Stoïcisme werkte voor mensen aan beide uiteinden van de maatschappij. Plezier is niet goed. Pijn is niet kwaad. Deugd is het enige goede en ondeugd het enige kwaad. Plicht is alles.

Het Griekse woord voor negatieve emoties, zoals angst, was pathe. Stoïcijnen waren antipathe, waar ons woord apathisch van is afgeleid, en dit woord wordt nog steeds gebruikt om hun benadering van negatieve emoties te beschrijven. De stoïcijnen waren enorme voorstanders van apathie. De werkelijk wijze en goede mens moest apathisch zijn.

Stoïcijnen waren ook niet vies van zelfmoord onder bepaalde voorwaarden. Seneca, de Romeinse toneelschrijver en bekende stoïcijn, ontnam zich van zijn eigen leven, toen hij uit de gratie viel bij de beruchte keizer Nero. Als je een perfect onverschillig en apathisch leven leidt, zoals het stoïcijnse ideaal voorschreef, is je leven immers zinloos en een slechts een klein verlies als het wordt uitgedoofd.

De stoïcijnen waren ook pantheïsten. Pantheïsme is het geloof dat God in alles aanwezig is, in tegenstelling tot een God die zich in de hemel bevindt.

Zowel de epicuristen als de stoïcijnen zochten het principe van ataraxia, of innerlijke vrede. De epicuristen zochten het via terugtrekking uit de samenleving en het nastreven van genot. De stoïcijnen vonden het in een apathische levenshouding en een grimmig fatalisme; ze zagen zichzelf als onbeduidende radertjes in een koud en onverschillig mechanisme. Sommige stoïcijnse principes werden, enigszins aangepast, opgenomen in de opkomende religie van het christendom. Anderen, waaronder pantheïsme en het bevorderen van zelfmoord, werden duidelijk afgewezen.



Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Rudi te Velde.